Kastelen in Oorlogstijd

De presentatie van de Tweede Wereldoorlog op Nederlandse kastelen, buitenplaatsen en landhuizen

Verschenen in Kasteelkatern, Nr. 31, 2011.

Voor veel mensen zijn kastelen, als defensieve bolwerken, verbonden met oorlog en oorlogsvoering. In Nederlandse kastelen, buitenplaatsen en landhuizen is echter bijzonder weinig zichtbaar van de oorlog die vandaag de dag het meest tot de verbeelding spreekt: de Tweede Wereldoorlog. Wie daar meer van wil weten, komt al gauw terecht in verborgen kamers, die lastig toegankelijk zijn voor publiek.

In kasteel Waardenburg zijn vlak na de oorlog vijf spottekeningen van de Binnenlandse Strijdkrachten op de muur achtergelaten. Na de restauratie, voltooid in 2009, is deze kamer getransformeerd tot kantoorruimte en zijn de schilderingen door de wandbespanning aan het zicht onttrokken. Eén schildering is nog zichtbaar wanneer twee luiken worden geopend. Dit voorbeeld is typerend voor de omgang met het oorlogserfgoed op kastelen, buitenplaatsen en landhuizen in Nederland. De sporen worden gedoogd, geconserveerd in sommige gevallen – maar zeker niet benadrukt. En dat is eigenlijk gek, want de Tweede Wereldoorlog heeft een enorme impact gehad op het Nederlandse kastelenbestand. Dat zou, ook gezien de recent sterk toegenomen interesse in de Tweede Wereldoorlog, de verwachting rechtvaardigen dat deze laag van de geschiedenis steeds meer in de presentatie van kastelen gereflecteerd wordt.[1] In hoeverre dat het geval is, is het afgelopen jaar onderzocht.

De Tweede Wereldoorlog

Nog niet eerder is er uitgebreid onderzoek gedaan naar Nederlandse kastelen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Om hiervan een indruk te krijgen, is geprobeerd een overzicht te maken van de situatie van kastelen, buitenplaatsen en landhuizen door heel Nederland. Niet alleen binnen dit onderzoek, maar ook door Marielle Bakker, die namens de NKS een uitgebreide inventarisatie maakte van de oorlogsschade. In een volgend nummer van Kasteelkatern wordt daarvan verslag gedaan. In ieder geval blijkt dat kastelen aan het begin van de oorlog werden ontzien. Feitelijk ging het leven in veel kastelen na de capitulatie lange tijd zijn gewone gang. Zo trok het Muiderslot, ingericht als museum, in 1943 nog ruim 9800 bezoekers.[2]

Toch bleven kastelen en buitenplaatsen niet buiten schot. Vooral inkwartiering van Duitse of Nederlandse soldaten kwam veelvuldig voor. Ook voor andere praktische doeleinden bleken kastelen geschikt, zoals luxe onderkomens, hospitalen, kinderopvang, bordelen, of gevangenenkampen. Dankzij de afgelegen ligging en de vele verborgen ruimtes werden kastelen ook gebruikt voor niet door de bezetter geplande functies, zoals het verstoppen van onderduikers. Dit leidde tot veel materiële schade, niet alleen door onzorgvuldig gebruik, maar ook door bombardementen of beschietingen. Soms was dat een ongelukkige speling van het lot, maar vaak was de schade doelbewust, bijvoorbeeld door geallieerden die de in het kasteel gelegerde Duitse troepen wilden verjagen. Dat geldt met name voor veel Gelderse en Limburgse kastelen, die een tijdlang midden in de frontlinie lagen. Uiteindelijk werden minimaal 37 kastelen, buitenplaatsen en landhuizen volledig verwoest of gesloopt vanwege oorlogsactiviteiten, ten minste 57 kastelen door de Duitse bezetter gevorderd voor militaire doeleinden en kregen in elk geval 139 kastelen op de meest uiteenlopende manieren te maken met de gebeurtenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog.[3] Kastelen zijn bovendien in immateriële zin ‘aangetast’: de herinneringen aan persoonlijke drama’s en traumatische gebeurtenissen die hebben er plaatsgevonden, leven nog steeds voort.

De Tweede Wereldoorlog heeft daarnaast grote invloed gehad op de manier waarop wij nu over kastelen denken. De vooroorlogse functies waren na 1945 vaak niet meer van toepassing door schade of door confiscatie door de Nederlandse staat. Kastelen stonden leeg en beschadigd in het Nederlandse landschap. Die aanblik bracht een omslag in het denken teweeg. Waar vóór de oorlog de toestand al zorgwekkend was, werd ná de oorlog veelal actie ondernomen. Overheid en speciaal daartoe opgerichte stichtingen, zoals de Nederlandse Kastelenstichting, ontfermden zich over kastelen en droegen zorg voor restauratie en hergebruik. Het huidige uiterlijk en gebruik van kastelen is veelal te danken aan deze naoorlogse ontwikkeling.

De presentatie van de oorlog

Gedurende de twintigste eeuw kregen veel kastelen en buitenplaatsen een nieuwe, publieke functie als museum, feestlocatie of congrescentrum. Door middel van rondleidingen, routings, tekstborden en bezoekersgidsjes, websites en folders en zelfs naoorlogse restauraties krijgt de bezoeker een bepaald beeld van het kasteel voorgeschoteld. De periode van de Tweede Wereldoorlog wordt hier op zeer uiteenlopende manieren gepresenteerd. In sommige kastelen wordt de oorlogsgeschiedenis verzwegen of overheerst het romantische beeld van ‘grootmoeders tijd’ of het ridderkasteel, zoals op kasteel Doornenburg. In dit kasteel zijn nauwelijks meer sporen te bekennen van de oorlog, terwijl het gebouw toch ernstig beschadigd raakte tijdens geallieerde bombardementen. Aan de andere kant zijn er kasteelmusea waar de Tweede Wereldoorlog een plek in de vaste presentatie heeft gekregen, zoals op Doorwerth, waar de met kogels doorzeefde windvaan herinnert aan beschietingen door de geallieerden. Soms, tijdens incidentele activiteiten zoals Bevrijdingsdag, speelt de oorlog zelfs een hoofdrol op het kasteel. Over het algemeen valt echter op dat de Tweede Wereldoorlog niet of vrij beperkt gepresenteerd wordt.

Waardoor wordt deze vaak stroeve omgang met de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog veroorzaakt? De complexiteit van het oorlogserfgoed, die zorgt voor verwarring en pijnlijke herinneringen, maakt het lastig om het oorlogsverhaal goed over te brengen aan publiek en daarom wordt er ook vaak vanaf gezien. Hoe goed bedoeld ook, de boodschap aan de bezoekers komt vaak verdraaid of zelfs helemaal niet aan. Een bijkomend probleem bij het presenteren van oorlogserfgoed is het ontbreken van authentiek, visueel bewijsmateriaal. Er zijn veel gevoeligheden rond de oorlog, zeker nog de durende discussie over ‘goed’ en ‘fout’. Sprekende voorbeelden hiervan zijn de aanwezigheid van ‘dadererfgoed’ op Clingendael en de restauraties van Doornenburg en Doorwerth. De ‘vooruitgangsgedachte’ na de bevrijding zorgde ervoor dat oorlogssporen bewust zijn uitgewist. Daardoor geeft het kasteel zelf geen aanleiding tot vragen of vertellen over de Tweede Wereldoorlog. Bovendien is het presenteren van oorlogserfgoed niet altijd gewenst. Kasteelbezoekers komen niet voor de Tweede Wereldoorlog naar een kasteelmuseum, maar om mooie spullen te zien en te leren over ‘hoe men vroeger leefde’. De Tweede Wereldoorlog, met alle levendige herinneringen hieraan, past niet in het geijkte verhaal en is daarmee dissonant.

Ongewenste dadersporen op Clingendael

Het huis Clingendael, dat tussen 1643 en 1660 gebouwd is en in 2003 als beschermd rijksmonument is aangewezen, is niet geopend voor publiek en daarom ook niet gemusealiseerd. Hier is het Instituut Clingendael, het Nederlands Instituut voor Internationale Relaties, gehuisvest. Op het landgoed kunnen bezoekers vrij rondwandelen. De tuinen zijn, zoals dat al eeuwenlang het geval is, bestemd om doorheen te wandelen, te kijken, te genieten.

Het zal de meeste bezoekers van het park ontgaan dat het huis in de Tweede Wereldoorlog gebruikt werd als onderkomen voor Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart en zijn familie. Met de komst van Seyss-Inquart werd Clingendael een bestuurlijk centrum voor de Duitse bezetter in Nederland. Seyss-Inquart gaf er grote diners partijen en ontving vrijwel alle kopstukken van het Derde Rijk, zoals Heinrich Himmler, de Reichsfuhrer-SS en Hanns Rauter, het hoofd van de Waffen-SS in Nederland.[4]

Seyss-Inquarts komst naar Clingendael betekende bovendien een aantal ingrijpende veranderingen voor het huis en het landgoed. Voordat hij de woning betrok, liet hij het in 1940 grondig renoveren.[5] Omdat het landgoed onderdeel was van de Atlantikwall, waarvoor vrij schootsveld nodig was, werd ongeveer de helft van het Duinbos gekapt. Op het landgoed verrees een groot aantal bunkers, waaronder een enorme, met zadeldak gecamoufleerde bunker voor Seyss-Inquart zelf. Naast de hoofdingang verrees een wachthuis met rieten dak en beschilderde luiken voor de Grüne Polizei en er kwam een extra woning voor het bewakingspersoneel. De ‘Hut’, het vroegere logeerhuis, werd voorzien van een rieten dak en werd verplaatst naar de schapenweide. Langs de oostkant van Clingendael werd een tankgracht gegraven. Landgoed Clingendael veranderde in ‘Festung Clingendael’.[6]

Door de restauratie van het huis en de nieuwe inplanting van de tuin is er veel veranderd sinds de Tweede Wereldoorlog, maar wie beter kijkt, ziet overal op het landgoed ‘dadersporen’. De tankgracht ligt er nog steeds. Het wachthuis voor de Grüne Polizei is in gebruik als woning en de ‘Hut’, door Seyss-Inquart verplaatst, is nu een theeschenkerij. In het omringende land staat nog een bunker waar vleermuizen nu de winter doorbrengen. De bunker van Seyss-Inquart is in gebruik door het ministerie van Defensie. Het poortgebouw, dat is herbouwd in 1986, bevat een kleine plaquette uit 1946 die herinnert aan de verhoren van twee Nederlandse militairen door Heinrich Himmler, Seyss-Inquart, Rauter, Schumann, Harster en Wolff.

Het informatiebord bij de ingang van het park meldt niets over de oorlogsgeschiedenis. Wie een van de twee wandelroutes volgt, wordt wel langs het wachthuisje geleid, maar niet langs bunkers of de tankgracht. De bunker van Seyss-Inquart, die uniek is in zijn soort en geheel bewaard is gebleven, wordt slechts bij hoge uitzondering geopend voor groepen geïnteresseerde mensen. Het bezoekersgidsje is daarentegen zeer open over de oorlogsgeschiedenis.[7] Ook op de website van Instituut Clingendael worden enkele woorden gewijd aan de Tweede Wereldoorlog.[8] Een duidelijk beleid met betrekking tot het oorlogserfgoed op landgoed Clingendael ontbreekt: de sporen zijn niet stelselmatig verwijderd, maar worden evenmin benadrukt. Voor wie het wil zien, zijn de dadersporen zichtbaar – voor wie het niet weet, blijven ze verborgen.

De zuiverende restauraties van Doorwerth en Doornenburg

De Gelderse kastelen Doorwerth en Doornenburg hebben, naast de vier beginletters van hun naam, een groot deel van hun twintigste-eeuwse geschiedenis gemeen. Beide kastelen werden vanwege hun deplorabele toestand onder de hoede genomen van stichtingen, respectievelijk de in 1909 opgerichte ‘Vereeniging De Doorwerth’ en de in 1936 opgerichte ‘Stichting tot Behoud van den Doornenburg’. Deze organisaties kregen gedaan dat de kastelen gerestaureerd werden: Doorwerth van 1910 tot 1915 (waarbij de restauratie aanleiding gaf tot felle discussies over restauratie-ethiek en leidden uiteindelijk tot het opstellen van restauratiebeginselen in 1917) en Doornenburg van 1937 tot 1941. Beide kastelen werden, dankzij hun gunstige ligging, na de slag om Arnhem in het najaar van 1944 in gebruik genomen door Duitse troepen. Doorwerth huisvestte een compagnie van de Waffen-SS en fungeerde als opslagplaats voor munitievoorraden, Doornenburg deed dienst als Duits hoofdkwartier. De kastelen kwamen in de frontlinie te liggen en werden belegerd door de geallieerden. Doorwerth werd beschoten vanaf de overkant van de Rijn. Het kasteelgehucht Doorwerth werd hierbij volledig verwoest en ook het kasteel leed grote schade. De genadeklap werd uitgedeeld door de Duitse soldaten, die wilden voorkomen dat de geallieerden de uitkijkpost konden gebruiken. Doornenburg werd in januari en maart 1945 door de Engelse luchtmacht gebombardeerd. Bij de luchtaanvallen werden verschillende gebouwen van de voorburcht en de hoofdburcht verwoest – en dat terwijl de Duitse soldaten al waren vertrokken.

Beide stichtingen spanden zich na de oorlog in om ‘hun’ kasteel weer in oude staat te herstellen. De kastelen werden gerestaureerd, al is reconstructie misschien een betere term: een ruïne was het enige wat er nog restte. De restauratie van Doorwerth duurde van 1946 tot 1983, het herstel van Doornenburg van 1947 tot 1968. In beide gevallen is gekozen voor het terugbrengen van de middeleeuwse architectuur. Doornenburg is nog altijd in bezit van de Stichting tot Behoud van den Doornenburg; Doorwerth is tijdens de restauratie, in 1956, overgegaan naar de Stichting Vrienden der Geldersche Kasteelen. Beide kastelen zijn tegenwoordig geopend voor publiek.

De parallellen lijken frappant, maar Doorwerth en Doornenburg zijn niet de enige kastelen die een dergelijke geschiedenis kennen. Verval als gevolg van verwaarlozing, restauratie, gebruik als Duits hoofdkwartier, fikse oorlogsschade, opnieuw restauratie en openstelling voor publiek – het proces is haast exemplarisch te noemen voor de twintigste-eeuwse geschiedenis van kastelen.

Ook exemplarisch is de reactie van de kasteelbeschermers na de oorlog: het land moest weer worden opgebouwd. Het puin moest geruimd, de schade hersteld en het leven ging door. Wie tegenwoordig de twintigste-eeuwse reconstructies van Doorwerth en Doornenburg beter beziet, voelt aan dat er iets niet klopt. Ze lijken te mooi. De Tweede Wereldoorlog is weggepoetst; geen kogelgat herinnert nog aan de grootste vernietiging die deze kastelen ooit gekend hebben. Dit besluit moet gezien worden tegen de achtergrond van de destijds heersende restauratie-ethiek – ondanks de eerder genoemde, naar aanleiding van de restauratie van Doorwerth opgestelde restauratiebeginselen uit 1917, die uitgingen van ‘behoud voor vernieuwing’, werd er in de praktijk nog veel ‘teruggerestaureerd’. Bovendien koos men tijdens de wederopbouw liever voor een reconstructie om zo een historische breuk te voorkomen en de historische identiteit van het complex te behouden. En waarom ook een herinnering bewaren aan de wandaden tijdens de oorlog?

Hoewel er op het oog niets meer te zien is van de oorlogsperiode, is de presentatie in beide kastelen open over het verleden. Tijdens de rondleiding door Doornenburg wordt de moderne geschiedenis van het kasteel als eerste verteld, waarna wordt overgegaan tot een verhaal dat meer is gericht op middeleeuwen en de manier waarop men toen in het kasteel geleefd moet hebben. Er is een duidelijke keuze gemaakt voor de middeleeuwen, waarbij de bezoeker wel op de hoogte is gebracht van de reconstructie.

In de presentatie van Doorwerth is geen keuze gemaakt voor een periode: de bezoeker kan zelf rondlopen en volgt een routing die langs verschillende stijlkamers met meubels, tekstborden en hier en daar zelfs geluiden leidt. De collectie van het huismuseum gaat naadloos over in die van het Museum Veluwezoom en het Jachtmuseum, hetgeen soms wat verwarring oplevert over de geschiedenis en het vroegere gebruik van het kasteel zelf. De vernietiging en wederopbouw van het kasteel worden duidelijk uitgelegd op twee panelen, maar deze zijn bijna aan het eind van de routing geplaatst. De oplettende bezoeker beseft dan dat hij in een reconstructie rondloopt, maar voor beide kastelen geldt: wie het oorlogsverleden niet wil zien, ziet het niet.

Conclusie

Kastelen, buitenplaatsen en landhuizen hebben veelal een eeuwenlange geschiedenis en meer dan één oorlog meegemaakt, maar juist de Tweede Wereldoorlog heeft een cruciale rol gespeeld in de manier waarop kastelen vandaag de dag bestaan. De ontwikkelingen die leidden tot de manier waarop kastelen tegenwoordig beschermd, beheerd, gemusealiseerd en geëxploiteerd worden, zijn door de gevolgen van de oorlog in gang gezet of in een stroomversnelling terechtgekomen.

Toch blijkt over het algemeen dat de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog niet of vrij beperkt gepresenteerd wordt. Dat geldt niet alleen voor de hierboven genoemde voorbeelden, maar voor tientallen kastelen die zijn opengesteld voor publiek. Vaak overheerst in de presentatie het romantische beeld van grootmoeders tijd of het ridderkasteel. In de meeste gevallen van kastelen die opengesteld zijn voor publiek wordt het oorlogsverleden echter niet verzwegen – wie ernaar zoekt of vraagt, komt er wel achter, maar een rol in de vaste presentatie of rondleiding speelt het niet. Een eenduidig beleid ten aanzien van het oorlogserfgoed is er in de meeste gevallen evenmin.

Uit dit onderzoek blijkt echter ook dat aandacht voor het oorlogserfgoed in de presentatie op kastelen en buitenplaatsen toeneemt. De aanwezigheid ervan wordt steeds meer gebruikt als een extra betekenislaag in de presentatie. Het besef groeit dat het presenteren van oorlogserfgoed weliswaar voor problemen kan zorgen, maar dat door het niet kunnen of niet willen noemen van de oorlogsgeschiedenis een belangrijke betekenislaag van het kasteel wordt overgeslagen. Het wegmoffelen van oorlogserfgoed door middel van restauratie en museale presentatie zorgt immers voor een eenzijdig beeld, waarbij voorbijgegaan wordt aan de zeer bepalende twintigste-eeuwse laag van het kasteel.

Deze ontwikkeling komt overeen met de huidige tendens waarin steeds meer aandacht komt voor de Tweede Wereldoorlog. Nu de groep van oorlogsgetroffenen en ooggetuigen steeds kleiner wordt, staat niets meer in de weg om de oorlog in al zijn facetten te herdenken. Na een periode van herdenken van voornamelijk de helden van onderdrukking en verzet, sinds de jaren zestig met meer nadruk op allerlei verschillende ‘soorten’ slachtoffers, lijkt nu de tijd aangebroken om het verhaal van de oorlog ook vanuit de daders te beschouwen.[9] Niet alleen in de geschiedenis van kastelen, maar in de hele nationale geschiedenis van Nederland is de Tweede Wereldoorlog een sleutelmoment geworden.

Het is daarom wenselijk dat er in de toekomst meer onderzoek wordt gedaan op dit gebied en dat de Tweede Wereldoorlog tot de vaste presentatie van meer Nederlandse kastelen en buitenplaatsen zal gaan behoren, zodat deze kennis niet alleen onder kastelenkenners blijft, maar ook voor het publiek niet meer achter het behang verborgen blijft.


[1] Voor de recent toegenomen interesse in de Tweede Wereldoorlog, zie: F.van Vree & R. van der Laarse [red]. De dynamiek van de herinnering. Nederland en de Tweede Wereldoorlog in een internationale context. Amsterdam 2009. En: M. de Keijzer & M. Plomp [red]. Een open zenuw. Hoe wij ons de Tweede Wereldoorlog herinneren. Amsterdam 2010.
[2] H. Boers, Y. Molenaar & G. van der Stroom. Het Muiderslot. Fameux ende in ’t ooghe leggende. Zwolle 2004. 62.
[3] Aantallen gebaseerd op het overzicht ‘Kastelen tijdens de Tweede Wereldoorlog’, afkomstig uit: Froukje van der Meulen. Kastelen in Oorlogstijd. De omgang met de Tweede Wereldoorlog in de presentatie van Nederlandse kastelen, buitenplaatsen en landhuizen. Universiteit van Amsterdam 2010.
[4] M. Hardenberg. Het oude Benoordenhout. Geschiedenis van Clingedael en de omgeving van het park. Den Haag 1974. 60-61.
[5] F.R. Hazenberg e.a., Wassenaar in de Tweede Wereldoorlog. Wassenaar 1995.
[6] J.S.H. Gieskes. ‘Geschiedenis van Clingendael in kort bestek’. Cascade, Bulletin voor tuinhistorie. 18e jaargang (2009), nr. 1.
[7] Gemeente Den Haag, Dienst Stadsbeheer. Welkom op de landgoederen Clingendael en Oosterbeek. Van historie naar toekomst. Den Haag 2004.
[8] www.clingendael.nl/about/history.html. Bekeken op 23-06-2010.
[9] R. van der Laarse. ‘Kunst, kampen en landschappen. De blinde vlek van het dadererfgoed.’ Frank van Vree & Rob van der Laarse [red]. De dynamiek van de herinnering. Nederland en de Tweede Wereldoorlog in een internationale context. Amsterdam 2009. 191.