Kastelen in een nieuwe wereld

De Tweede Wereldoorlog als katalysator in de twintigste-eeuwse ontwikkeling van Nederlandse elitewoningen

Verschenen in Virtus 18 (2011).

Door Froukje van der Meulen

Al tijdens de oorlogsjaren, in 1943, concludeerde de kunsthistoricus Wilhelm Martin in zijn overzicht van de toen vijfentwintigjarige geschiedenis van de Nederlandse monumentenzorg: ‘Er kan heeden waarlijk van noodlijdende kasteelen worden gesproken.’[1] Na 1945 bleek het Nederlands kastelenbezit inderdaad zwaar te zijn aangetast door de gevolgen van de oorlog. Kastelen waren verwoest, uitgewoond, leeggeroofd, in brand gestoken of stonden simpelweg leeg.[2] Bewoners konden de restauratiekosten niet meer opbrengen of moesten hun woningen opgeven, omdat deze – als Duits en dus vijandig bezit – geconfisqueerd werden door de Nederlandse staat.[3]

Restauratie en herbestemming van kastelen en buitenplaatsen was noodzakelijk. Dat betekende ook dat de deuren wijd open gingen voor het publiek. In naoorlogs Nederland werden de voormalige elitewoningen steeds meer bevolkt door nieuwsgierige dagjesmensen, terwijl de rol van de adel in de samenleving werd geminimaliseerd. Dat het grote publiek zich het elitaire gebouw bij uitstek heeft toegeëigend is een interessante paradox, die – ondanks veelvuldig onderzoek dat zich vooral concentreerde op buitenplaatsen en kastelen als ‘objecten’ – vooralsnog onderbelicht is gebleven. Dit artikel gaat in op de rol die de Tweede Wereldoorlog speelde in het proces van verdwijning van kastelen en buitenplaatsen als eigendom van een traditionele, aristocratische elite.

Kastelen in crisis

Al vóór de Tweede Wereldoorlog had leegstand en verval van kastelen en buitenplaatsen een flinke vlucht genomen. Een van de oorzaken daarvan was de afnemende machtspositie van de adel. Thorbeckes grondwetswijziging in 1848 ontnam de adel zijn staatsrechtelijke rol, maar dat nam niet weg dat adellijke personen en families volop aanwezig bleven in politieke elites – alleen niet meer als ‘stand’.[4]Pas in de decennia rond 1900 kwam hieraan een einde toen nieuwe zakenlieden, een nieuwe elite en een nieuwe avant-garde de economische, sociale en culturele positie van de negentiende-eeuwse notabelen overnamen.[5] Met het afnemen van de macht vielen ook de opbrengsten uit de rechten van de adellijke kasteelbezitter voor een belangrijk deel weg. Hoge belastingen op het bezit, heffingen op het inkomen van de eigenaar en hoge lasten van successierechten bij vererving maakten het de kasteelbezitters steeds lastiger om hun kostbare bezit in stand te kunnen houden.[6] Steeds minder edellieden waren in staat de onkosten te dragen die aan het onderhoud en herstel verbonden waren.

Dit gold overigens niet alleen voor kastelen, maar voor alle historische gebouwen. Nederland was in de negentiende eeuw van een agrarische handelsstaat in een industriële natie veranderd, wat grote veranderingen in de stedenbouw en ruimtelijke ordening tot gevolg had. De economische expansie leidde tot een grootschalige vernietiging van de historische omgeving – eerst nog vooral in de steden, maar algauw ook op het platteland.[7] Veel oude gebouwen raakten vervallen en verwaarloosd of werden gesloopt, en de Nederlanders leken hier met een soort onverschilligheid en nonchalance tegenover te staan.[8]

Naast de afnemende machtspositie van de adel, de industriële revolutie en een achteloze houding ten opzichte van monumenten, waren er ook andere belangrijke factoren die ervoor zorgden dat Nederlandse kastelen en buitenplaatsen steeds moeilijker door hun oorspronkelijke bewoners bewoond en onderhouden konden worden. Agrarische transformaties zoals ruilverkaveling, de opkomst van het modernisme in de architectuur en monumentenzorg en het gebrek aan wettelijke bescherming van monumentale elitewoningen hadden eveneens een destructieve invloed.[9] Of een kasteel van de sloophamer gered werd, was afhankelijk van individuele voorstanders van cultureel erfgoed, die eigenhandig of met behulp van een speciaal daartoe opgerichte stichting, zoals de ‘Vereeniging De Doorwerth’ (opgericht 1909), zorg droegen voor restauratie. Een overheidgestuurde monumentenzorg kwam in Nederland relatief laat op gang; pas in 1918 werd voor het eerst een Rijksbureau voor de Monumentenzorg opgericht.

Ondanks ontluikende activiteiten op het gebied van monumentenzorg en de opkomst van stichtingen die zich inzetten voor restauratie, was de situatie in het begin van de twintigste eeuw zo verontrustend, dat in 1937 de toenmalige directeur van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg Eugène van Nispen tot Sevenaer de brochure ‘De nood onzer kasteelen’ publiceerde in het Bulletin KNOB.[10]De Tweede Wereldoorlog moest toen nog uitbreken.

Vernietigende oorlog

Op het toch al wankelende Nederlandse kastelenbestand heeft de Tweede Wereldoorlog een vernietigende invloed gehad. Toen de Duitsers in mei 1940 Nederland binnenvielen, werden de meeste kastelen en buitenplaatsen in eerste instantie ontzien. Bij de slag om de Grebbeberg van 11 tot en met 13 mei 1940 werd geen van de nabijgelegen kastelen beschadigd. Ook de bombardementen op Rotterdam en Middelburg lieten, hoe verwoestend ook, de ver buiten de stad gelegen kastelen ongemoeid. Het leven leek de eerste jaren van de oorlog gewoon door te gaan. Toch kregen de Nederlandse kastelen en buitenplaatsen uiteindelijk wel degelijk te maken met oorlogshandelingen. Al kenden kastelen in de meeste gevallen al lang geen verdedigingsfunctie meer – Loevestein en Muiderslot maakten weliswaar deel uit van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, maar deze bleek zijn verdedigingswaarde grotendeels te hebben verloren – na het uitbreken van de oorlog kregen kastelen weldra een militaire bestemming. Vooral inkwartiering van Duitse soldaten kwam veelvuldig voor. Families werden naar de kelder van het kasteel verbannen, zoals de eigenaar van Kasteel ter Horst in Loenen (Gelderland), of naar het koetshuis, zoals in Klein Engelenburg te Brummen (Gelderland).[11] Kastelen en buitenplaatsen kregen ook andere bestemmingen, zoals die van hospitaal, kinderopvang, bordeel, internerings- of gevangenenkamp of luxe residentie. Dankzij de afgelegen ligging en de vele verborgen ruimtes in kastelen, kon soms onderdak geboden worden aan vluchtelingen of kostbaarheden. Door hun grootte, status, strategische ligging én omdat ze vaak leeg waren komen te staan, leenden deze gebouwen zich uitstekend voor allerlei nieuwe functies.[12] Bovendien waren kastelen niet speciaal beschermd, zodat ze ook geen vrijstelling van militaire doeleinden en inkwartiering kregen.[13] In deze hectische jaren had de monumentale waarde geen prioriteit. Kastelen moesten het doen met de voorzorgsmaatregelen van de bewoners zelf en met de hulp van omwonenden. Al met al leidde dit tot veel materiële schade, niet alleen door onzorgvuldig gebruik, maar ook door bombardementen en beschietingen. Tijdens geallieerde invasies en de bevrijding werd aanzienlijke schade geleden. Dat geldt met name voor de Gelderse en Limburgse kastelen, die een tijdlang midden in de frontlinie lagen.

Kastelen door de ogen van de bezetter

De bezetter gebruikte kastelen en buitenplaatsen voor de meest uiteenlopende doeleinden. Vanwege hun uitstraling waren deze elitewoningen zeer geliefd als luxe residenties bij Duitse topfunctionarissen en vooraanstaande NSB’ers. Dat zien we vooral in de omgeving van Den Haag en Wassenaar, vlakbij het regeringscentrum. Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart en zijn familie namen in 1940 hun intrek in het huis Clingendael nabij Wassenaar. Met hun komst werd Clingendael een bestuurlijk centrum voor de Duitse bezetter in Nederland. Seyss-Inquart gaf er grote diners en partijen en ontving vrijwel alle kopstukken van het Derde Rijk, zoals Heinrich Himmler, de Reichsführer-SS, en Hanns Rauter, Generalkommissar für das Sicherheitswesen en tevens Höhere SS-und Polizeiführer in Nederland.[14] Omdat het landgoed onderdeel was van de Atlantikwall, waarvoor vrij schootsveld nodig was, werd een aanzienlijk deel van het bos gekapt en verrees er een groot aantal bunkers, waaronder een enorme, met zadeldak gecamoufleerde bunker voor Seyss-Inquart zelf.[15] Toen in de loop van de oorlog de geallieerden oprukten, haastte Seyss-Inquart zich in de richting van de Duitse grens. In 1943 vertrok hij naar het landgoed Het Spelderholt te Beekbergen en vanaf 1944 verbleef hij regelmatig op Twickel in Delden.[16] Ook Anton Mussert, leider van de NSB, trok oostwaarts: na Dolle Dinsdag verliet hij zijn hoofdkwartier aan de Utrechtse Maliebaan en vluchtte hij naar Landgoed Bellinckhof bij Almelo.

Dat kastelen en buitenplaatsen door de bezetter ook als bezienswaardigheden werden gezien, bewijst een foto van Kasteel de Haar in de brochure Kleine Führung durch die Niederlande. Dit was een van de speciaal voor Duitse soldaten gepubliceerde toeristengidsen die langs de mooiste plekjes van het land moesten leiden. Om verveling of ontsporing te voorkomen en om meer betrokkenheid met Nederland te kweken, werden de in Nederland gelegerde militairen gestimuleerd om in hun vrije tijd de Nederlandse cultuur beter te leren kennen. Cultuur fungeerde als bindmiddel tussen twee volken: ‘Das deutsche und das niederländische Volk gehören nebeneinander und Zueinander’, schreef Rijkscommissaris Seyss-Inquart in een ander toeristengidsje voor Duitse soldaten, Die Niederlande in deutscher Sicht.[17] Die culturele verbondenheid moest benadrukt worden door foto’s als die van kasteel Heeswijk, met als onderschrift: ‘Das Schloß von Heeswijk: Wasserburgen spiegeln nicht anders als in Westfalen ihre Türme in den stillen und tiefen Gräben…’.[18] Dat kastelen door de Duitse bezetter daadwerkelijk werden bezocht, is bekend, bijvoorbeeld van het Muiderslot.[19] Het blijkt ook uit foto’s en films die de Duitse soldaten in Nederland tijdens de oorlog hebben gemaakt. Het boekje Der Deutsche Soldat erlebt Holland uit 1941 bevat een selectie van door soldaten gemaakte foto’s en tekeningen.[20] De beelden tonen onder andere een pentekening van ‘Schloß Muiden’, gemaakt door Hauptmann Blümel en een foto van ‘Wasserschloß Nyenrode’, gemaakt door Gefreiter Dorweiler.

Net als in andere maatschappelijke lagen het geval was, raakte ook een deel van de Nederlandse adel betrokken bij collaboratie met de bezetter en waren verschillende edelen  actief in hoge functies in de NSB-hiërarchie. Onderzoek naar sympathisanten met de bezetter onder de Nederlandse adel is schaars, maar vermoedelijk gaat het slechts om een klein aandeel. De afnemende machtspositie deed de adel, in een poging zijn identiteit en exclusiviteit te behouden, op zoek gaan naar nieuwe religieuze en politieke verbanden. Sommige edellieden sympathiseerden openlijk met het nationaal-socialisme en sloten zich aan bij de NSB.[21] Graaf Max de Marchant et d’Ansembourg (1894-1975), bewoner van het familiekasteel Amstenrade (Zuid-Limburg), sloot zich in 1933 aan bij de NSB. Tijdens de bezetting, in 1941, werd hij benoemd tot Commissaris der Provincie Limburg.[22]

Een nieuwe wereld

Na de oorlog bracht de aanblik van de enorme oorlogsschade een ommekeer in het denken over het behoud van kastelen en buitenplaatsen. Het besef groeide bij de overheid, de academische wereld, restauratiearchitecten en ook het publiek dat deze historische gebouwen zonder bescherming ernstig gevaar zouden lopen. De Nederlandse Kastelenstichting, opgericht in november 1945, begon direct met het voeren van het medebeheer over de geconfisqueerde kastelen, verstrekte adviezen met betrekking tot het behoud van kastelen en kwam op voor de belangen van kasteelbezitters.[23] Toen in de jaren vijftig de economie opleefde, ontstond er ook financiële ruimte voor behoud en restauratie.[24] Daarnaast groeide de wetenschappelijke aandacht voor kastelen, wat leidde tot de instelling van de leerstoel Middeleeuwse Archeologie en Castellogie in 1964 aan de Universiteit Utrecht.

Al met al leidden deze ontwikkelingen tot een beter begrip van het cultuurhistorische belang en daarmee ook tot de herbestemming en openstelling voor publiek van veel kastelen. Herbestemming betekende, ondanks de noodzakelijke aanpassingen, in veel gevallen de laatste redding. Enkele kastelen en buitenplaatsen werden verhuurd als kantoor, andere gingen als representatieve zetels functioneren van scholen, gemeenten en andere instellingen en organisaties, zoals Nijenrode, Beverweerd of Groeneveld. Onder meer Huis Doorn en Kasteel Amerongen kregen een museale bestemming en werden opengesteld voor publiek. In een groeiend aantal kastelen, zoals Rosendael, kwamen ruimten beschikbaar voor bijeenkomsten en congressen; andere kastelen kregen een hotel- of restaurantfunctie.

Waar kastelen en buitenplaatsen als monumenten van nationale betekenis steeds meer in de schijnwerpers kwamen te staan, verdwenen hun vroegere bewoners naar de achtergrond. Hoewel edelen tot ver in de twintigste eeuw nog oververtegenwoordigd waren in bestuur, politiek, rechterlijke macht en bedrijfsleven, werd de rol van de adel als instituut in het openbare leven langzamerhand onzichtbaar.[25] In 1953 besloot het tweede kabinet Drees dat verheffing van gewone burgers in de adel achterwege diende te blijven. Ook aan het hof van het Nederlandse koningshuis verdween de adel steeds meer uit beeld.[26] De basis werd gelegd voor de ontwikkeling van de adel tot ‘historisch instituut’ – met als gevolg dat het nu in veel gevallen voor iedereen mogelijk werd om een kijkje in hun voormalige familiekastelen te nemen.

Van privéwoning tot cultureel erfgoed

Sinds de jaren zeventig van de twintigste eeuw nemen elitewoningen een belangrijke positie in binnen het opkomend cultuur- en erfgoedtoerisme, en zijn zij veranderd in ondernemingen die bezoekers een ‘beleving’ van het verleden bieden. Tegenwoordig behoren kastelen en buitenplaatsen tot de nationale topmonumenten en vormen ze drukbezochte cultuurhistorische bestemmingen die toegankelijk zijn voor iedereen.[27] De hernieuwde interesse in het nationale verleden maakt dat zij bovendien worden gezien als representatie van de nationale geschiedenis.[28]

Dat het grote publiek zich nu het elitaire gebouw bij uitstek heeft toegeëigend, vormt een interessante paradox. De ‘vererfgoedisering’ van kastelen en buitenplaatsen suggereert enerzijds een vorm van culturele democratisering. Door het bredere proces van musealisering en nationalisering gaan ze tot het nationaal erfgoed behoren.[29] Anderzijds vormen antidemocratische, nostalgische sentimenten een belangrijk element in het proces van deze erfgoedwording. Is een adellijk huis immers niet juist de belichaming van de ongelijkheid van sociale klassen, gesymboliseerd door het onderscheid tussen upstairs en downstairs?

Vaak wordt echter vergeten dat dit proces van musealisering en nationalisering van kastelen als iconische dragers van de vroegere elitecultuur al in de negentiende eeuw een aanvang nam. Restauraties van kastelen werden eind negentiende, begin twintigste eeuw beïnvloed door nationalistische ideeën.[30] De aandacht ging uit naar kastelen die dankzij hun roemrijke eigenaars appelleerden aan het ‘nationale gevoel’, zoals het Muiderslot (Floris V en P.C. Hooft) en het kasteel van Radboud te Medemblik (Floris V).[31] In het geval van het Muiderslot was de herinnering aan Hooft en de Muiderkring zelfs de doorslaggevende reden om het slot niet af te breken.[32] Ook het kasteelbezoek in toeristische zin is niets nieuws: vanaf de zeventiende eeuw en wellicht al eerder bestond er een toeristische interesse in landhuizen. Als onderdeel van de pittoreske reis werd in de achttiende en negentiende eeuw van buitenplaats naar buitenplaats gewandeld, waarbij ook de omringende tuinen en parken werden bezocht.[33] Deze toeristische belangstelling was echter, in tegenstelling tot het heden, voorbehouden aan het vermogende deel van de bevolking.

De twintigste eeuw was voor de Nederlandse kastelen en buitenplaatsen een buitengewoon turbulente periode. Ingrijpende maatschappelijke veranderingen, transformaties in het landschap (verkaveling, industrialisatie, grootschalige infrastructurele ontwikkelingen) en in veel gevallen het verlies van de oorspronkelijke functie van de gebouwen, veranderde hun betekenis voorgoed. Veel adellijke bewoners waren tijdens of na de Tweede Wereldoorlog genoodzaakt hun woning voorgoed te verlaten als gevolg van schade door bombardementen, gevechten, vordering door het leger of confiscatie door de staat als Duits bezit. De schok en grootschalige destructie van de oorlog veroorzaakte een gevoel van urgentie, waardoor restauratie en herbestemming in een stroomversnelling kwamen. Kastelen en buitenplaatsen werden vervolgens al snel het onderwerp van massaal cultuurtoerisme. De oorlog fungeerde daarmee als een katalysator in het verdwijningproces van het kasteel als traditionele aristocratische woning en de transformatie tot erfgoedicoon.


[1] W. Martin, Herleefde Schoonheid. 25 jaar Monumentenzorg in Nederland 1918 – 10 mei – 1943 (Amsterdam, 1943) 34.
[2] Zie C. Seebohm, The Country House. A Wartime History, 1939-45 (Londen, 1989); J.M. Robinson, The Country House at War (Londen, 1989); A.I.J.M Schellart, Kastelen in nood (Amsterdam, 1955).
[3] Dit was onder andere het geval met De Slangenburg en de Cannenburch. Zie G.B. Janssen, De Slangenburg. Huis, landgoed en bewoners (Doetinchem, 2008). Ook J.C. Bierens de Haan en J.R. Jas, Cannenburch. Kasteel en park (Arnhem, 2007).
[4] Y. Kuiper, ‘Adel, Nation und Staat in den Niederlanden im 19. und 20. Jahrhundert’, in: M. van Driel, M. Pohl en B. Walter, ed., Adel verbindet – Adel verbindt (Paderborn, 2010) 229-250. [5] Y. Kuiper en R. van der Laarse, ‘Inleiding’, in: R. van der Laarse en Y. Kuiper, ed., Beelden van de buitenplaats. Elitevorming en notabelencultuur in Nederland in de negentiende eeuw (Hilversum, 2005) 24. Zie ook Y. Kuiper, ‘Adel, Nation und Staat’, 245-246.
[6] A.I.J.M Schellart, Kastelen in nood (Amsterdam, 1955) 23.
[7] W. Krul, ‘Tegen het erfgoed: over vooruitgang en vandalisme’, in: F. Grijzenhout, ed., Erfgoed. De geschiedenis van een begrip (Amsterdam, 2007) 267.
[8] K. van der Ploeg, ‘Het beeld van de stad en de monumentenzorg’, Holland, IV-V (1992) 254. Zie Ook W. Denslagen, Omstreden herstel. Kritiek op het restaureren van monumenten (’s-Gravenhage, 1985) 157.
[9] W. Denslagen, Romantisch modernisme. Nostalgie in de monumentenzorg (Amsterdam, 2004).
[10] E.O.M. van Nispen tot Sevenaer. ‘De nood onzer kasteelen’, Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond, 6 (1937)  nr. 2.
[11] C.C. de Kool-Verhoog, Kasteel ter Horst. Een lagchend landhuis in Loenen (Blokzijl, 2002) 59-60; Nederlandse Kastelenstichting, Wijk bij Duurstede, Krantenknipselarchief NKS, ‘Engelenburg (klein)’.
[12] Zie hiervoor het overzicht ‘Kastelen tijdens de Tweede Wereldoorlog’, in: F. van der Meulen, Kastelen in Oorlogstijd. De omgang met de Tweede Wereldoorlog in de presentatie van Nederlandse kastelen, buitenplaatsen en landhuizen (masterscriptie Universiteit van Amsterdam, 2010) 78-81.
[13] Directeur van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg Jan Kalf had in zijn rapport Bescherming van kunstwerken tegen oorlogsgevaren (1938) een lijst opgenomen met speciaal te beschermen monumenten, waarvan een groot deel door het Departement van Defensie werd vrijgesteld van het gebruik voor militaire doeleinden. Op deze lijst bevindt zich geen enkel kasteel, buitenplaats of landhuis.
[14] M. Hardenberg, Het oude Benoordenhout. Geschiedenis van Clingendael en de omgeving van het park (’s-Gravenhage, 1974) 60-61.
[15] J.S.H. Gieskes, ‘Geschiedenis van Clingendael in kort bestek’, Cascade, Bulletin voor tuinhistorie, XVIII, 1 (2009) 33-42.
[16] J. Haverkate, Twickel. Bewoond en bewaard (Zwolle, 1993) 117.
[17] E. Halm, Die Niederlande in deutscher Sicht (Berlijn, 1941) v. [18] Ibidem, 45. [19] H. Boers, Y. Molenaar en G. van der Stroom, Het Muiderslot. Fameux ende in ’t ooghe leggende (Zwolle, 2004) 62. [20] T. von Zeska en F. Schlüter, Der Deutsche Soldat erlebt Holland (’s-Gravenhage, 1941). [21] Kuiper, ‘Adel, Nation und Staat’, 246.
[22] Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), knipselcollectie, inv.nr. KB I 4702. Zie ook A.A. de Jonge, ‘Marchant et d’Ansembourg, Maximilianus Victor Eugène Hubertus Josef Maria graaf de (1894-1975)’, in: J. Bosmans, ed., Biografisch woordenboek van Nederland, IV (’s-Gravenhage, 1994) 322.
[23] Voor de kastelen die tijdens de oorlog in bezit waren geweest van Duitsers en als vijandig bezit door de Nederlandse staat waren geconfisqueerd, moest een nieuwe bestemming worden gezocht.
[24] H.L. Janssen, J.M.M. Kylstra-Wielinga en B. Olde Meierink, ed., 1000 Jaar Kastelen in Nederland. Functie en vorm door de eeuwen heen (Utrecht, 1996) 199. [25]Kuiper, ‘Adel, Nation und Staat’, 240. [26] Ibidem, 246. [27] Zie bij. J. de Haan en F. Huysmans, Het bereik van het verleden. Ontwikkelingen in de belangstelling voor cultureel erfgoed et culturele draagvlak (’s-Gravenhage, 2007).
[28] H. Ronnes, Architecture and Elite Culture in the United Provinces, England and Ireland, 1500-1700 (Amsterdam, 2006). [29] A. de Jong, De dirigenten van de herinnering. Musealisering en nationalisering van de volkscultuur in Nederland 1815-1940 (Nijmegen-Arnhem, 2001); D. Lowenthal, The heritage crusade and the spoils of history (Cambridge, 1998).
[30] M. Eickhoff, De oorsprong van het ‘eigene’. Nederlands vroegste verleden, archeologie en nationaal-socialisme (Amsterdam, 2003) 126-127. [31] Martin, Herleefde Schoonheid, 11. [32] Janssen, e.a., 1000 Jaar kastelen in Nederland, 215.
[33] R. van der Laarse, ‘De beleving van de buitenplaats. Smaak, toerisme en erfgoed’, in: idem, ed., Bezeten van vroeger. Erfgoed, identiteit en musealisering (Amsterdam, 2005) 59-87; E. de Jong, M. Lafaille en C. Bertram, Landschappen van verbeelding. Vormgeven aan de Europese traditie van de tuin- en landschapsarchitectuur 1600-2000 (Rotterdam, 2008).