Kastelen in een nieuwe wereld

De Tweede Wereldoorlog als katalysator in de twintigste-eeuwse ontwikkeling van Nederlandse elitewoningen

Verschenen in Virtus 18 (2011).

Door Froukje van der Meulen

Al tijdens de oorlogsjaren, in 1943, concludeerde de kunsthistoricus Wilhelm Martin in zijn overzicht van de toen vijfentwintigjarige geschiedenis van de Nederlandse monumentenzorg: ‘Er kan heeden waarlijk van noodlijdende kasteelen worden gesproken.’[1] Na 1945 bleek het Nederlands kastelenbezit inderdaad zwaar te zijn aangetast door de gevolgen van de oorlog. Kastelen waren verwoest, uitgewoond, leeggeroofd, in brand gestoken of stonden simpelweg leeg.[2] Bewoners konden de restauratiekosten niet meer opbrengen of moesten hun woningen opgeven, omdat deze – als Duits en dus vijandig bezit – geconfisqueerd werden door de Nederlandse staat.[3]

Restauratie en herbestemming van kastelen en buitenplaatsen was noodzakelijk. Dat betekende ook dat de deuren wijd open gingen voor het publiek. In naoorlogs Nederland werden de voormalige elitewoningen steeds meer bevolkt door nieuwsgierige dagjesmensen, terwijl de rol van de adel in de samenleving werd geminimaliseerd. Dat het grote publiek zich het elitaire gebouw bij uitstek heeft toegeëigend is een interessante paradox, die – ondanks veelvuldig onderzoek dat zich vooral concentreerde op buitenplaatsen en kastelen als ‘objecten’ – vooralsnog onderbelicht is gebleven. Dit artikel gaat in op de rol die de Tweede Wereldoorlog speelde in het proces van verdwijning van kastelen en buitenplaatsen als eigendom van een traditionele, aristocratische elite.

Kastelen in crisis

Al vóór de Tweede Wereldoorlog had leegstand en verval van kastelen en buitenplaatsen een flinke vlucht genomen. Een van de oorzaken daarvan was de afnemende machtspositie van de adel. Thorbeckes grondwetswijziging in 1848 ontnam de adel zijn staatsrechtelijke rol, maar dat nam niet weg dat adellijke personen en families volop aanwezig bleven in politieke elites – alleen niet meer als ‘stand’.[4]Pas in de decennia rond 1900 kwam hieraan een einde toen nieuwe zakenlieden, een nieuwe elite en een nieuwe avant-garde de economische, sociale en culturele positie van de negentiende-eeuwse notabelen overnamen.[5] Met het afnemen van de macht vielen ook de opbrengsten uit de rechten van de adellijke kasteelbezitter voor een belangrijk deel weg. Hoge belastingen op het bezit, heffingen op het inkomen van de eigenaar en hoge lasten van successierechten bij vererving maakten het de kasteelbezitters steeds lastiger om hun kostbare bezit in stand te kunnen houden.[6] Steeds minder edellieden waren in staat de onkosten te dragen die aan het onderhoud en herstel verbonden waren.

Dit gold overigens niet alleen voor kastelen, maar voor alle historische gebouwen. Nederland was in de negentiende eeuw van een agrarische handelsstaat in een industriële natie veranderd, wat grote veranderingen in de stedenbouw en ruimtelijke ordening tot gevolg had. De economische expansie leidde tot een grootschalige vernietiging van de historische omgeving – eerst nog vooral in de steden, maar algauw ook op het platteland.[7] Veel oude gebouwen raakten vervallen en verwaarloosd of werden gesloopt, en de Nederlanders leken hier met een soort onverschilligheid en nonchalance tegenover te staan.[8]

Naast de afnemende machtspositie van de adel, de industriële revolutie en een achteloze houding ten opzichte van monumenten, waren er ook andere belangrijke factoren die ervoor zorgden dat Nederlandse kastelen en buitenplaatsen steeds moeilijker door hun oorspronkelijke bewoners bewoond en onderhouden konden worden. Agrarische transformaties zoals ruilverkaveling, de opkomst van het modernisme in de architectuur en monumentenzorg en het gebrek aan wettelijke bescherming van monumentale elitewoningen hadden eveneens een destructieve invloed.[9] Of een kasteel van de sloophamer gered werd, was afhankelijk van individuele voorstanders van cultureel erfgoed, die eigenhandig of met behulp van een speciaal daartoe opgerichte stichting, zoals de ‘Vereeniging De Doorwerth’ (opgericht 1909), zorg droegen voor restauratie. Een overheidgestuurde monumentenzorg kwam in Nederland relatief laat op gang; pas in 1918 werd voor het eerst een Rijksbureau voor de Monumentenzorg opgericht.

Ondanks ontluikende activiteiten op het gebied van monumentenzorg en de opkomst van stichtingen die zich inzetten voor restauratie, was de situatie in het begin van de twintigste eeuw zo verontrustend, dat in 1937 de toenmalige directeur van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg Eugène van Nispen tot Sevenaer de brochure ‘De nood onzer kasteelen’ publiceerde in het Bulletin KNOB.[10]De Tweede Wereldoorlog moest toen nog uitbreken.

Vernietigende oorlog

Op het toch al wankelende Nederlandse kastelenbestand heeft de Tweede Wereldoorlog een vernietigende invloed gehad. Toen de Duitsers in mei 1940 Nederland binnenvielen, werden de meeste kastelen en buitenplaatsen in eerste instantie ontzien. Bij de slag om de Grebbeberg van 11 tot en met 13 mei 1940 werd geen van de nabijgelegen kastelen beschadigd. Ook de bombardementen op Rotterdam en Middelburg lieten, hoe verwoestend ook, de ver buiten de stad gelegen kastelen ongemoeid. Het leven leek de eerste jaren van de oorlog gewoon door te gaan. Toch kregen de Nederlandse kastelen en buitenplaatsen uiteindelijk wel degelijk te maken met oorlogshandelingen. Al kenden kastelen in de meeste gevallen al lang geen verdedigingsfunctie meer – Loevestein en Muiderslot maakten weliswaar deel uit van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, maar deze bleek zijn verdedigingswaarde grotendeels te hebben verloren – na het uitbreken van de oorlog kregen kastelen weldra een militaire bestemming. Vooral inkwartiering van Duitse soldaten kwam veelvuldig voor. Families werden naar de kelder van het kasteel verbannen, zoals de eigenaar van Kasteel ter Horst in Loenen (Gelderland), of naar het koetshuis, zoals in Klein Engelenburg te Brummen (Gelderland).[11] Kastelen en buitenplaatsen kregen ook andere bestemmingen, zoals die van hospitaal, kinderopvang, bordeel, internerings- of gevangenenkamp of luxe residentie. Dankzij de afgelegen ligging en de vele verborgen ruimtes in kastelen, kon soms onderdak geboden worden aan vluchtelingen of kostbaarheden. Door hun grootte, status, strategische ligging én omdat ze vaak leeg waren komen te staan, leenden deze gebouwen zich uitstekend voor allerlei nieuwe functies.[12] Bovendien waren kastelen niet speciaal beschermd, zodat ze ook geen vrijstelling van militaire doeleinden en inkwartiering kregen.[13] In deze hectische jaren had de monumentale waarde geen prioriteit. Kastelen moesten het doen met de voorzorgsmaatregelen van de bewoners zelf en met de hulp van omwonenden. Al met al leidde dit tot veel materiële schade, niet alleen door onzorgvuldig gebruik, maar ook door bombardementen en beschietingen. Tijdens geallieerde invasies en de bevrijding werd aanzienlijke schade geleden. Dat geldt met name voor de Gelderse en Limburgse kastelen, die een tijdlang midden in de frontlinie lagen.

Kastelen door de ogen van de bezetter

De bezetter gebruikte kastelen en buitenplaatsen voor de meest uiteenlopende doeleinden. Vanwege hun uitstraling waren deze elitewoningen zeer geliefd als luxe residenties bij Duitse topfunctionarissen en vooraanstaande NSB’ers. Dat zien we vooral in de omgeving van Den Haag en Wassenaar, vlakbij het regeringscentrum. Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart en zijn familie namen in 1940 hun intrek in het huis Clingendael nabij Wassenaar. Met hun komst werd Clingendael een bestuurlijk centrum voor de Duitse bezetter in Nederland. Seyss-Inquart gaf er grote diners en partijen en ontving vrijwel alle kopstukken van het Derde Rijk, zoals Heinrich Himmler, de Reichsführer-SS, en Hanns Rauter, Generalkommissar für das Sicherheitswesen en tevens Höhere SS-und Polizeiführer in Nederland.[14] Omdat het landgoed onderdeel was van de Atlantikwall, waarvoor vrij schootsveld nodig was, werd een aanzienlijk deel van het bos gekapt en verrees er een groot aantal bunkers, waaronder een enorme, met zadeldak gecamoufleerde bunker voor Seyss-Inquart zelf.[15] Toen in de loop van de oorlog de geallieerden oprukten, haastte Seyss-Inquart zich in de richting van de Duitse grens. In 1943 vertrok hij naar het landgoed Het Spelderholt te Beekbergen en vanaf 1944 verbleef hij regelmatig op Twickel in Delden.[16] Ook Anton Mussert, leider van de NSB, trok oostwaarts: na Dolle Dinsdag verliet hij zijn hoofdkwartier aan de Utrechtse Maliebaan en vluchtte hij naar Landgoed Bellinckhof bij Almelo.

Dat kastelen en buitenplaatsen door de bezetter ook als bezienswaardigheden werden gezien, bewijst een foto van Kasteel de Haar in de brochure Kleine Führung durch die Niederlande. Dit was een van de speciaal voor Duitse soldaten gepubliceerde toeristengidsen die langs de mooiste plekjes van het land moesten leiden. Om verveling of ontsporing te voorkomen en om meer betrokkenheid met Nederland te kweken, werden de in Nederland gelegerde militairen gestimuleerd om in hun vrije tijd de Nederlandse cultuur beter te leren kennen. Cultuur fungeerde als bindmiddel tussen twee volken: ‘Das deutsche und das niederländische Volk gehören nebeneinander und Zueinander’, schreef Rijkscommissaris Seyss-Inquart in een ander toeristengidsje voor Duitse soldaten, Die Niederlande in deutscher Sicht.[17] Die culturele verbondenheid moest benadrukt worden door foto’s als die van kasteel Heeswijk, met als onderschrift: ‘Das Schloß von Heeswijk: Wasserburgen spiegeln nicht anders als in Westfalen ihre Türme in den stillen und tiefen Gräben…’.[18] Dat kastelen door de Duitse bezetter daadwerkelijk werden bezocht, is bekend, bijvoorbeeld van het Muiderslot.[19] Het blijkt ook uit foto’s en films die de Duitse soldaten in Nederland tijdens de oorlog hebben gemaakt. Het boekje Der Deutsche Soldat erlebt Holland uit 1941 bevat een selectie van door soldaten gemaakte foto’s en tekeningen.[20] De beelden tonen onder andere een pentekening van ‘Schloß Muiden’, gemaakt door Hauptmann Blümel en een foto van ‘Wasserschloß Nyenrode’, gemaakt door Gefreiter Dorweiler.

Net als in andere maatschappelijke lagen het geval was, raakte ook een deel van de Nederlandse adel betrokken bij collaboratie met de bezetter en waren verschillende edelen  actief in hoge functies in de NSB-hiërarchie. Onderzoek naar sympathisanten met de bezetter onder de Nederlandse adel is schaars, maar vermoedelijk gaat het slechts om een klein aandeel. De afnemende machtspositie deed de adel, in een poging zijn identiteit en exclusiviteit te behouden, op zoek gaan naar nieuwe religieuze en politieke verbanden. Sommige edellieden sympathiseerden openlijk met het nationaal-socialisme en sloten zich aan bij de NSB.[21] Graaf Max de Marchant et d’Ansembourg (1894-1975), bewoner van het familiekasteel Amstenrade (Zuid-Limburg), sloot zich in 1933 aan bij de NSB. Tijdens de bezetting, in 1941, werd hij benoemd tot Commissaris der Provincie Limburg.[22]

Een nieuwe wereld

Na de oorlog bracht de aanblik van de enorme oorlogsschade een ommekeer in het denken over het behoud van kastelen en buitenplaatsen. Het besef groeide bij de overheid, de academische wereld, restauratiearchitecten en ook het publiek dat deze historische gebouwen zonder bescherming ernstig gevaar zouden lopen. De Nederlandse Kastelenstichting, opgericht in november 1945, begon direct met het voeren van het medebeheer over de geconfisqueerde kastelen, verstrekte adviezen met betrekking tot het behoud van kastelen en kwam op voor de belangen van kasteelbezitters.[23] Toen in de jaren vijftig de economie opleefde, ontstond er ook financiële ruimte voor behoud en restauratie.[24] Daarnaast groeide de wetenschappelijke aandacht voor kastelen, wat leidde tot de instelling van de leerstoel Middeleeuwse Archeologie en Castellogie in 1964 aan de Universiteit Utrecht.

Al met al leidden deze ontwikkelingen tot een beter begrip van het cultuurhistorische belang en daarmee ook tot de herbestemming en openstelling voor publiek van veel kastelen. Herbestemming betekende, ondanks de noodzakelijke aanpassingen, in veel gevallen de laatste redding. Enkele kastelen en buitenplaatsen werden verhuurd als kantoor, andere gingen als representatieve zetels functioneren van scholen, gemeenten en andere instellingen en organisaties, zoals Nijenrode, Beverweerd of Groeneveld. Onder meer Huis Doorn en Kasteel Amerongen kregen een museale bestemming en werden opengesteld voor publiek. In een groeiend aantal kastelen, zoals Rosendael, kwamen ruimten beschikbaar voor bijeenkomsten en congressen; andere kastelen kregen een hotel- of restaurantfunctie.

Waar kastelen en buitenplaatsen als monumenten van nationale betekenis steeds meer in de schijnwerpers kwamen te staan, verdwenen hun vroegere bewoners naar de achtergrond. Hoewel edelen tot ver in de twintigste eeuw nog oververtegenwoordigd waren in bestuur, politiek, rechterlijke macht en bedrijfsleven, werd de rol van de adel als instituut in het openbare leven langzamerhand onzichtbaar.[25] In 1953 besloot het tweede kabinet Drees dat verheffing van gewone burgers in de adel achterwege diende te blijven. Ook aan het hof van het Nederlandse koningshuis verdween de adel steeds meer uit beeld.[26] De basis werd gelegd voor de ontwikkeling van de adel tot ‘historisch instituut’ – met als gevolg dat het nu in veel gevallen voor iedereen mogelijk werd om een kijkje in hun voormalige familiekastelen te nemen.

Van privéwoning tot cultureel erfgoed

Sinds de jaren zeventig van de twintigste eeuw nemen elitewoningen een belangrijke positie in binnen het opkomend cultuur- en erfgoedtoerisme, en zijn zij veranderd in ondernemingen die bezoekers een ‘beleving’ van het verleden bieden. Tegenwoordig behoren kastelen en buitenplaatsen tot de nationale topmonumenten en vormen ze drukbezochte cultuurhistorische bestemmingen die toegankelijk zijn voor iedereen.[27] De hernieuwde interesse in het nationale verleden maakt dat zij bovendien worden gezien als representatie van de nationale geschiedenis.[28]

Dat het grote publiek zich nu het elitaire gebouw bij uitstek heeft toegeëigend, vormt een interessante paradox. De ‘vererfgoedisering’ van kastelen en buitenplaatsen suggereert enerzijds een vorm van culturele democratisering. Door het bredere proces van musealisering en nationalisering gaan ze tot het nationaal erfgoed behoren.[29] Anderzijds vormen antidemocratische, nostalgische sentimenten een belangrijk element in het proces van deze erfgoedwording. Is een adellijk huis immers niet juist de belichaming van de ongelijkheid van sociale klassen, gesymboliseerd door het onderscheid tussen upstairs en downstairs?

Vaak wordt echter vergeten dat dit proces van musealisering en nationalisering van kastelen als iconische dragers van de vroegere elitecultuur al in de negentiende eeuw een aanvang nam. Restauraties van kastelen werden eind negentiende, begin twintigste eeuw beïnvloed door nationalistische ideeën.[30] De aandacht ging uit naar kastelen die dankzij hun roemrijke eigenaars appelleerden aan het ‘nationale gevoel’, zoals het Muiderslot (Floris V en P.C. Hooft) en het kasteel van Radboud te Medemblik (Floris V).[31] In het geval van het Muiderslot was de herinnering aan Hooft en de Muiderkring zelfs de doorslaggevende reden om het slot niet af te breken.[32] Ook het kasteelbezoek in toeristische zin is niets nieuws: vanaf de zeventiende eeuw en wellicht al eerder bestond er een toeristische interesse in landhuizen. Als onderdeel van de pittoreske reis werd in de achttiende en negentiende eeuw van buitenplaats naar buitenplaats gewandeld, waarbij ook de omringende tuinen en parken werden bezocht.[33] Deze toeristische belangstelling was echter, in tegenstelling tot het heden, voorbehouden aan het vermogende deel van de bevolking.

De twintigste eeuw was voor de Nederlandse kastelen en buitenplaatsen een buitengewoon turbulente periode. Ingrijpende maatschappelijke veranderingen, transformaties in het landschap (verkaveling, industrialisatie, grootschalige infrastructurele ontwikkelingen) en in veel gevallen het verlies van de oorspronkelijke functie van de gebouwen, veranderde hun betekenis voorgoed. Veel adellijke bewoners waren tijdens of na de Tweede Wereldoorlog genoodzaakt hun woning voorgoed te verlaten als gevolg van schade door bombardementen, gevechten, vordering door het leger of confiscatie door de staat als Duits bezit. De schok en grootschalige destructie van de oorlog veroorzaakte een gevoel van urgentie, waardoor restauratie en herbestemming in een stroomversnelling kwamen. Kastelen en buitenplaatsen werden vervolgens al snel het onderwerp van massaal cultuurtoerisme. De oorlog fungeerde daarmee als een katalysator in het verdwijningproces van het kasteel als traditionele aristocratische woning en de transformatie tot erfgoedicoon.


[1] W. Martin, Herleefde Schoonheid. 25 jaar Monumentenzorg in Nederland 1918 – 10 mei – 1943 (Amsterdam, 1943) 34.
[2] Zie C. Seebohm, The Country House. A Wartime History, 1939-45 (Londen, 1989); J.M. Robinson, The Country House at War (Londen, 1989); A.I.J.M Schellart, Kastelen in nood (Amsterdam, 1955).
[3] Dit was onder andere het geval met De Slangenburg en de Cannenburch. Zie G.B. Janssen, De Slangenburg. Huis, landgoed en bewoners (Doetinchem, 2008). Ook J.C. Bierens de Haan en J.R. Jas, Cannenburch. Kasteel en park (Arnhem, 2007).
[4] Y. Kuiper, ‘Adel, Nation und Staat in den Niederlanden im 19. und 20. Jahrhundert’, in: M. van Driel, M. Pohl en B. Walter, ed., Adel verbindet – Adel verbindt (Paderborn, 2010) 229-250. [5] Y. Kuiper en R. van der Laarse, ‘Inleiding’, in: R. van der Laarse en Y. Kuiper, ed., Beelden van de buitenplaats. Elitevorming en notabelencultuur in Nederland in de negentiende eeuw (Hilversum, 2005) 24. Zie ook Y. Kuiper, ‘Adel, Nation und Staat’, 245-246.
[6] A.I.J.M Schellart, Kastelen in nood (Amsterdam, 1955) 23.
[7] W. Krul, ‘Tegen het erfgoed: over vooruitgang en vandalisme’, in: F. Grijzenhout, ed., Erfgoed. De geschiedenis van een begrip (Amsterdam, 2007) 267.
[8] K. van der Ploeg, ‘Het beeld van de stad en de monumentenzorg’, Holland, IV-V (1992) 254. Zie Ook W. Denslagen, Omstreden herstel. Kritiek op het restaureren van monumenten (’s-Gravenhage, 1985) 157.
[9] W. Denslagen, Romantisch modernisme. Nostalgie in de monumentenzorg (Amsterdam, 2004).
[10] E.O.M. van Nispen tot Sevenaer. ‘De nood onzer kasteelen’, Bulletin van den Nederlandschen Oudheidkundigen Bond, 6 (1937)  nr. 2.
[11] C.C. de Kool-Verhoog, Kasteel ter Horst. Een lagchend landhuis in Loenen (Blokzijl, 2002) 59-60; Nederlandse Kastelenstichting, Wijk bij Duurstede, Krantenknipselarchief NKS, ‘Engelenburg (klein)’.
[12] Zie hiervoor het overzicht ‘Kastelen tijdens de Tweede Wereldoorlog’, in: F. van der Meulen, Kastelen in Oorlogstijd. De omgang met de Tweede Wereldoorlog in de presentatie van Nederlandse kastelen, buitenplaatsen en landhuizen (masterscriptie Universiteit van Amsterdam, 2010) 78-81.
[13] Directeur van het Rijksbureau voor de Monumentenzorg Jan Kalf had in zijn rapport Bescherming van kunstwerken tegen oorlogsgevaren (1938) een lijst opgenomen met speciaal te beschermen monumenten, waarvan een groot deel door het Departement van Defensie werd vrijgesteld van het gebruik voor militaire doeleinden. Op deze lijst bevindt zich geen enkel kasteel, buitenplaats of landhuis.
[14] M. Hardenberg, Het oude Benoordenhout. Geschiedenis van Clingendael en de omgeving van het park (’s-Gravenhage, 1974) 60-61.
[15] J.S.H. Gieskes, ‘Geschiedenis van Clingendael in kort bestek’, Cascade, Bulletin voor tuinhistorie, XVIII, 1 (2009) 33-42.
[16] J. Haverkate, Twickel. Bewoond en bewaard (Zwolle, 1993) 117.
[17] E. Halm, Die Niederlande in deutscher Sicht (Berlijn, 1941) v. [18] Ibidem, 45. [19] H. Boers, Y. Molenaar en G. van der Stroom, Het Muiderslot. Fameux ende in ’t ooghe leggende (Zwolle, 2004) 62. [20] T. von Zeska en F. Schlüter, Der Deutsche Soldat erlebt Holland (’s-Gravenhage, 1941). [21] Kuiper, ‘Adel, Nation und Staat’, 246.
[22] Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), knipselcollectie, inv.nr. KB I 4702. Zie ook A.A. de Jonge, ‘Marchant et d’Ansembourg, Maximilianus Victor Eugène Hubertus Josef Maria graaf de (1894-1975)’, in: J. Bosmans, ed., Biografisch woordenboek van Nederland, IV (’s-Gravenhage, 1994) 322.
[23] Voor de kastelen die tijdens de oorlog in bezit waren geweest van Duitsers en als vijandig bezit door de Nederlandse staat waren geconfisqueerd, moest een nieuwe bestemming worden gezocht.
[24] H.L. Janssen, J.M.M. Kylstra-Wielinga en B. Olde Meierink, ed., 1000 Jaar Kastelen in Nederland. Functie en vorm door de eeuwen heen (Utrecht, 1996) 199. [25]Kuiper, ‘Adel, Nation und Staat’, 240. [26] Ibidem, 246. [27] Zie bij. J. de Haan en F. Huysmans, Het bereik van het verleden. Ontwikkelingen in de belangstelling voor cultureel erfgoed et culturele draagvlak (’s-Gravenhage, 2007).
[28] H. Ronnes, Architecture and Elite Culture in the United Provinces, England and Ireland, 1500-1700 (Amsterdam, 2006). [29] A. de Jong, De dirigenten van de herinnering. Musealisering en nationalisering van de volkscultuur in Nederland 1815-1940 (Nijmegen-Arnhem, 2001); D. Lowenthal, The heritage crusade and the spoils of history (Cambridge, 1998).
[30] M. Eickhoff, De oorsprong van het ‘eigene’. Nederlands vroegste verleden, archeologie en nationaal-socialisme (Amsterdam, 2003) 126-127. [31] Martin, Herleefde Schoonheid, 11. [32] Janssen, e.a., 1000 Jaar kastelen in Nederland, 215.
[33] R. van der Laarse, ‘De beleving van de buitenplaats. Smaak, toerisme en erfgoed’, in: idem, ed., Bezeten van vroeger. Erfgoed, identiteit en musealisering (Amsterdam, 2005) 59-87; E. de Jong, M. Lafaille en C. Bertram, Landschappen van verbeelding. Vormgeven aan de Europese traditie van de tuin- en landschapsarchitectuur 1600-2000 (Rotterdam, 2008).

Onderzoek National Trust

Voor de Britse erfgoedorganisatie The National Trust heb ik de Tweede Wereldoorlogsgeschiedenis van twee historische huizen en landgoederen in het bezit van de National Trust onderzocht: het indrukwekkende landhuis Ormesby Hall in Yorkshire en het stadse Morden Hall Park in Londen.

Door middel van archiefonderzoek, literatuuronderzoek, site analyse en interviews met betrokkenen heb ik deze periode blootgelegd, wat uitmondde in twee rapporten. Het onderzoek werd gefinancierd door het VSB Fonds.

Kastelen in Oorlogstijd

De presentatie van de Tweede Wereldoorlog op Nederlandse kastelen, buitenplaatsen en landhuizen

Verschenen in Kasteelkatern, Nr. 31, 2011.

Voor veel mensen zijn kastelen, als defensieve bolwerken, verbonden met oorlog en oorlogsvoering. In Nederlandse kastelen, buitenplaatsen en landhuizen is echter bijzonder weinig zichtbaar van de oorlog die vandaag de dag het meest tot de verbeelding spreekt: de Tweede Wereldoorlog. Wie daar meer van wil weten, komt al gauw terecht in verborgen kamers, die lastig toegankelijk zijn voor publiek.

In kasteel Waardenburg zijn vlak na de oorlog vijf spottekeningen van de Binnenlandse Strijdkrachten op de muur achtergelaten. Na de restauratie, voltooid in 2009, is deze kamer getransformeerd tot kantoorruimte en zijn de schilderingen door de wandbespanning aan het zicht onttrokken. Eén schildering is nog zichtbaar wanneer twee luiken worden geopend. Dit voorbeeld is typerend voor de omgang met het oorlogserfgoed op kastelen, buitenplaatsen en landhuizen in Nederland. De sporen worden gedoogd, geconserveerd in sommige gevallen – maar zeker niet benadrukt. En dat is eigenlijk gek, want de Tweede Wereldoorlog heeft een enorme impact gehad op het Nederlandse kastelenbestand. Dat zou, ook gezien de recent sterk toegenomen interesse in de Tweede Wereldoorlog, de verwachting rechtvaardigen dat deze laag van de geschiedenis steeds meer in de presentatie van kastelen gereflecteerd wordt.[1] In hoeverre dat het geval is, is het afgelopen jaar onderzocht.

De Tweede Wereldoorlog

Nog niet eerder is er uitgebreid onderzoek gedaan naar Nederlandse kastelen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Om hiervan een indruk te krijgen, is geprobeerd een overzicht te maken van de situatie van kastelen, buitenplaatsen en landhuizen door heel Nederland. Niet alleen binnen dit onderzoek, maar ook door Marielle Bakker, die namens de NKS een uitgebreide inventarisatie maakte van de oorlogsschade. In een volgend nummer van Kasteelkatern wordt daarvan verslag gedaan. In ieder geval blijkt dat kastelen aan het begin van de oorlog werden ontzien. Feitelijk ging het leven in veel kastelen na de capitulatie lange tijd zijn gewone gang. Zo trok het Muiderslot, ingericht als museum, in 1943 nog ruim 9800 bezoekers.[2]

Toch bleven kastelen en buitenplaatsen niet buiten schot. Vooral inkwartiering van Duitse of Nederlandse soldaten kwam veelvuldig voor. Ook voor andere praktische doeleinden bleken kastelen geschikt, zoals luxe onderkomens, hospitalen, kinderopvang, bordelen, of gevangenenkampen. Dankzij de afgelegen ligging en de vele verborgen ruimtes werden kastelen ook gebruikt voor niet door de bezetter geplande functies, zoals het verstoppen van onderduikers. Dit leidde tot veel materiële schade, niet alleen door onzorgvuldig gebruik, maar ook door bombardementen of beschietingen. Soms was dat een ongelukkige speling van het lot, maar vaak was de schade doelbewust, bijvoorbeeld door geallieerden die de in het kasteel gelegerde Duitse troepen wilden verjagen. Dat geldt met name voor veel Gelderse en Limburgse kastelen, die een tijdlang midden in de frontlinie lagen. Uiteindelijk werden minimaal 37 kastelen, buitenplaatsen en landhuizen volledig verwoest of gesloopt vanwege oorlogsactiviteiten, ten minste 57 kastelen door de Duitse bezetter gevorderd voor militaire doeleinden en kregen in elk geval 139 kastelen op de meest uiteenlopende manieren te maken met de gebeurtenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog.[3] Kastelen zijn bovendien in immateriële zin ‘aangetast’: de herinneringen aan persoonlijke drama’s en traumatische gebeurtenissen die hebben er plaatsgevonden, leven nog steeds voort.

De Tweede Wereldoorlog heeft daarnaast grote invloed gehad op de manier waarop wij nu over kastelen denken. De vooroorlogse functies waren na 1945 vaak niet meer van toepassing door schade of door confiscatie door de Nederlandse staat. Kastelen stonden leeg en beschadigd in het Nederlandse landschap. Die aanblik bracht een omslag in het denken teweeg. Waar vóór de oorlog de toestand al zorgwekkend was, werd ná de oorlog veelal actie ondernomen. Overheid en speciaal daartoe opgerichte stichtingen, zoals de Nederlandse Kastelenstichting, ontfermden zich over kastelen en droegen zorg voor restauratie en hergebruik. Het huidige uiterlijk en gebruik van kastelen is veelal te danken aan deze naoorlogse ontwikkeling.

De presentatie van de oorlog

Gedurende de twintigste eeuw kregen veel kastelen en buitenplaatsen een nieuwe, publieke functie als museum, feestlocatie of congrescentrum. Door middel van rondleidingen, routings, tekstborden en bezoekersgidsjes, websites en folders en zelfs naoorlogse restauraties krijgt de bezoeker een bepaald beeld van het kasteel voorgeschoteld. De periode van de Tweede Wereldoorlog wordt hier op zeer uiteenlopende manieren gepresenteerd. In sommige kastelen wordt de oorlogsgeschiedenis verzwegen of overheerst het romantische beeld van ‘grootmoeders tijd’ of het ridderkasteel, zoals op kasteel Doornenburg. In dit kasteel zijn nauwelijks meer sporen te bekennen van de oorlog, terwijl het gebouw toch ernstig beschadigd raakte tijdens geallieerde bombardementen. Aan de andere kant zijn er kasteelmusea waar de Tweede Wereldoorlog een plek in de vaste presentatie heeft gekregen, zoals op Doorwerth, waar de met kogels doorzeefde windvaan herinnert aan beschietingen door de geallieerden. Soms, tijdens incidentele activiteiten zoals Bevrijdingsdag, speelt de oorlog zelfs een hoofdrol op het kasteel. Over het algemeen valt echter op dat de Tweede Wereldoorlog niet of vrij beperkt gepresenteerd wordt.

Waardoor wordt deze vaak stroeve omgang met de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog veroorzaakt? De complexiteit van het oorlogserfgoed, die zorgt voor verwarring en pijnlijke herinneringen, maakt het lastig om het oorlogsverhaal goed over te brengen aan publiek en daarom wordt er ook vaak vanaf gezien. Hoe goed bedoeld ook, de boodschap aan de bezoekers komt vaak verdraaid of zelfs helemaal niet aan. Een bijkomend probleem bij het presenteren van oorlogserfgoed is het ontbreken van authentiek, visueel bewijsmateriaal. Er zijn veel gevoeligheden rond de oorlog, zeker nog de durende discussie over ‘goed’ en ‘fout’. Sprekende voorbeelden hiervan zijn de aanwezigheid van ‘dadererfgoed’ op Clingendael en de restauraties van Doornenburg en Doorwerth. De ‘vooruitgangsgedachte’ na de bevrijding zorgde ervoor dat oorlogssporen bewust zijn uitgewist. Daardoor geeft het kasteel zelf geen aanleiding tot vragen of vertellen over de Tweede Wereldoorlog. Bovendien is het presenteren van oorlogserfgoed niet altijd gewenst. Kasteelbezoekers komen niet voor de Tweede Wereldoorlog naar een kasteelmuseum, maar om mooie spullen te zien en te leren over ‘hoe men vroeger leefde’. De Tweede Wereldoorlog, met alle levendige herinneringen hieraan, past niet in het geijkte verhaal en is daarmee dissonant.

Ongewenste dadersporen op Clingendael

Het huis Clingendael, dat tussen 1643 en 1660 gebouwd is en in 2003 als beschermd rijksmonument is aangewezen, is niet geopend voor publiek en daarom ook niet gemusealiseerd. Hier is het Instituut Clingendael, het Nederlands Instituut voor Internationale Relaties, gehuisvest. Op het landgoed kunnen bezoekers vrij rondwandelen. De tuinen zijn, zoals dat al eeuwenlang het geval is, bestemd om doorheen te wandelen, te kijken, te genieten.

Het zal de meeste bezoekers van het park ontgaan dat het huis in de Tweede Wereldoorlog gebruikt werd als onderkomen voor Rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart en zijn familie. Met de komst van Seyss-Inquart werd Clingendael een bestuurlijk centrum voor de Duitse bezetter in Nederland. Seyss-Inquart gaf er grote diners partijen en ontving vrijwel alle kopstukken van het Derde Rijk, zoals Heinrich Himmler, de Reichsfuhrer-SS en Hanns Rauter, het hoofd van de Waffen-SS in Nederland.[4]

Seyss-Inquarts komst naar Clingendael betekende bovendien een aantal ingrijpende veranderingen voor het huis en het landgoed. Voordat hij de woning betrok, liet hij het in 1940 grondig renoveren.[5] Omdat het landgoed onderdeel was van de Atlantikwall, waarvoor vrij schootsveld nodig was, werd ongeveer de helft van het Duinbos gekapt. Op het landgoed verrees een groot aantal bunkers, waaronder een enorme, met zadeldak gecamoufleerde bunker voor Seyss-Inquart zelf. Naast de hoofdingang verrees een wachthuis met rieten dak en beschilderde luiken voor de Grüne Polizei en er kwam een extra woning voor het bewakingspersoneel. De ‘Hut’, het vroegere logeerhuis, werd voorzien van een rieten dak en werd verplaatst naar de schapenweide. Langs de oostkant van Clingendael werd een tankgracht gegraven. Landgoed Clingendael veranderde in ‘Festung Clingendael’.[6]

Door de restauratie van het huis en de nieuwe inplanting van de tuin is er veel veranderd sinds de Tweede Wereldoorlog, maar wie beter kijkt, ziet overal op het landgoed ‘dadersporen’. De tankgracht ligt er nog steeds. Het wachthuis voor de Grüne Polizei is in gebruik als woning en de ‘Hut’, door Seyss-Inquart verplaatst, is nu een theeschenkerij. In het omringende land staat nog een bunker waar vleermuizen nu de winter doorbrengen. De bunker van Seyss-Inquart is in gebruik door het ministerie van Defensie. Het poortgebouw, dat is herbouwd in 1986, bevat een kleine plaquette uit 1946 die herinnert aan de verhoren van twee Nederlandse militairen door Heinrich Himmler, Seyss-Inquart, Rauter, Schumann, Harster en Wolff.

Het informatiebord bij de ingang van het park meldt niets over de oorlogsgeschiedenis. Wie een van de twee wandelroutes volgt, wordt wel langs het wachthuisje geleid, maar niet langs bunkers of de tankgracht. De bunker van Seyss-Inquart, die uniek is in zijn soort en geheel bewaard is gebleven, wordt slechts bij hoge uitzondering geopend voor groepen geïnteresseerde mensen. Het bezoekersgidsje is daarentegen zeer open over de oorlogsgeschiedenis.[7] Ook op de website van Instituut Clingendael worden enkele woorden gewijd aan de Tweede Wereldoorlog.[8] Een duidelijk beleid met betrekking tot het oorlogserfgoed op landgoed Clingendael ontbreekt: de sporen zijn niet stelselmatig verwijderd, maar worden evenmin benadrukt. Voor wie het wil zien, zijn de dadersporen zichtbaar – voor wie het niet weet, blijven ze verborgen.

De zuiverende restauraties van Doorwerth en Doornenburg

De Gelderse kastelen Doorwerth en Doornenburg hebben, naast de vier beginletters van hun naam, een groot deel van hun twintigste-eeuwse geschiedenis gemeen. Beide kastelen werden vanwege hun deplorabele toestand onder de hoede genomen van stichtingen, respectievelijk de in 1909 opgerichte ‘Vereeniging De Doorwerth’ en de in 1936 opgerichte ‘Stichting tot Behoud van den Doornenburg’. Deze organisaties kregen gedaan dat de kastelen gerestaureerd werden: Doorwerth van 1910 tot 1915 (waarbij de restauratie aanleiding gaf tot felle discussies over restauratie-ethiek en leidden uiteindelijk tot het opstellen van restauratiebeginselen in 1917) en Doornenburg van 1937 tot 1941. Beide kastelen werden, dankzij hun gunstige ligging, na de slag om Arnhem in het najaar van 1944 in gebruik genomen door Duitse troepen. Doorwerth huisvestte een compagnie van de Waffen-SS en fungeerde als opslagplaats voor munitievoorraden, Doornenburg deed dienst als Duits hoofdkwartier. De kastelen kwamen in de frontlinie te liggen en werden belegerd door de geallieerden. Doorwerth werd beschoten vanaf de overkant van de Rijn. Het kasteelgehucht Doorwerth werd hierbij volledig verwoest en ook het kasteel leed grote schade. De genadeklap werd uitgedeeld door de Duitse soldaten, die wilden voorkomen dat de geallieerden de uitkijkpost konden gebruiken. Doornenburg werd in januari en maart 1945 door de Engelse luchtmacht gebombardeerd. Bij de luchtaanvallen werden verschillende gebouwen van de voorburcht en de hoofdburcht verwoest – en dat terwijl de Duitse soldaten al waren vertrokken.

Beide stichtingen spanden zich na de oorlog in om ‘hun’ kasteel weer in oude staat te herstellen. De kastelen werden gerestaureerd, al is reconstructie misschien een betere term: een ruïne was het enige wat er nog restte. De restauratie van Doorwerth duurde van 1946 tot 1983, het herstel van Doornenburg van 1947 tot 1968. In beide gevallen is gekozen voor het terugbrengen van de middeleeuwse architectuur. Doornenburg is nog altijd in bezit van de Stichting tot Behoud van den Doornenburg; Doorwerth is tijdens de restauratie, in 1956, overgegaan naar de Stichting Vrienden der Geldersche Kasteelen. Beide kastelen zijn tegenwoordig geopend voor publiek.

De parallellen lijken frappant, maar Doorwerth en Doornenburg zijn niet de enige kastelen die een dergelijke geschiedenis kennen. Verval als gevolg van verwaarlozing, restauratie, gebruik als Duits hoofdkwartier, fikse oorlogsschade, opnieuw restauratie en openstelling voor publiek – het proces is haast exemplarisch te noemen voor de twintigste-eeuwse geschiedenis van kastelen.

Ook exemplarisch is de reactie van de kasteelbeschermers na de oorlog: het land moest weer worden opgebouwd. Het puin moest geruimd, de schade hersteld en het leven ging door. Wie tegenwoordig de twintigste-eeuwse reconstructies van Doorwerth en Doornenburg beter beziet, voelt aan dat er iets niet klopt. Ze lijken te mooi. De Tweede Wereldoorlog is weggepoetst; geen kogelgat herinnert nog aan de grootste vernietiging die deze kastelen ooit gekend hebben. Dit besluit moet gezien worden tegen de achtergrond van de destijds heersende restauratie-ethiek – ondanks de eerder genoemde, naar aanleiding van de restauratie van Doorwerth opgestelde restauratiebeginselen uit 1917, die uitgingen van ‘behoud voor vernieuwing’, werd er in de praktijk nog veel ‘teruggerestaureerd’. Bovendien koos men tijdens de wederopbouw liever voor een reconstructie om zo een historische breuk te voorkomen en de historische identiteit van het complex te behouden. En waarom ook een herinnering bewaren aan de wandaden tijdens de oorlog?

Hoewel er op het oog niets meer te zien is van de oorlogsperiode, is de presentatie in beide kastelen open over het verleden. Tijdens de rondleiding door Doornenburg wordt de moderne geschiedenis van het kasteel als eerste verteld, waarna wordt overgegaan tot een verhaal dat meer is gericht op middeleeuwen en de manier waarop men toen in het kasteel geleefd moet hebben. Er is een duidelijke keuze gemaakt voor de middeleeuwen, waarbij de bezoeker wel op de hoogte is gebracht van de reconstructie.

In de presentatie van Doorwerth is geen keuze gemaakt voor een periode: de bezoeker kan zelf rondlopen en volgt een routing die langs verschillende stijlkamers met meubels, tekstborden en hier en daar zelfs geluiden leidt. De collectie van het huismuseum gaat naadloos over in die van het Museum Veluwezoom en het Jachtmuseum, hetgeen soms wat verwarring oplevert over de geschiedenis en het vroegere gebruik van het kasteel zelf. De vernietiging en wederopbouw van het kasteel worden duidelijk uitgelegd op twee panelen, maar deze zijn bijna aan het eind van de routing geplaatst. De oplettende bezoeker beseft dan dat hij in een reconstructie rondloopt, maar voor beide kastelen geldt: wie het oorlogsverleden niet wil zien, ziet het niet.

Conclusie

Kastelen, buitenplaatsen en landhuizen hebben veelal een eeuwenlange geschiedenis en meer dan één oorlog meegemaakt, maar juist de Tweede Wereldoorlog heeft een cruciale rol gespeeld in de manier waarop kastelen vandaag de dag bestaan. De ontwikkelingen die leidden tot de manier waarop kastelen tegenwoordig beschermd, beheerd, gemusealiseerd en geëxploiteerd worden, zijn door de gevolgen van de oorlog in gang gezet of in een stroomversnelling terechtgekomen.

Toch blijkt over het algemeen dat de geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog niet of vrij beperkt gepresenteerd wordt. Dat geldt niet alleen voor de hierboven genoemde voorbeelden, maar voor tientallen kastelen die zijn opengesteld voor publiek. Vaak overheerst in de presentatie het romantische beeld van grootmoeders tijd of het ridderkasteel. In de meeste gevallen van kastelen die opengesteld zijn voor publiek wordt het oorlogsverleden echter niet verzwegen – wie ernaar zoekt of vraagt, komt er wel achter, maar een rol in de vaste presentatie of rondleiding speelt het niet. Een eenduidig beleid ten aanzien van het oorlogserfgoed is er in de meeste gevallen evenmin.

Uit dit onderzoek blijkt echter ook dat aandacht voor het oorlogserfgoed in de presentatie op kastelen en buitenplaatsen toeneemt. De aanwezigheid ervan wordt steeds meer gebruikt als een extra betekenislaag in de presentatie. Het besef groeit dat het presenteren van oorlogserfgoed weliswaar voor problemen kan zorgen, maar dat door het niet kunnen of niet willen noemen van de oorlogsgeschiedenis een belangrijke betekenislaag van het kasteel wordt overgeslagen. Het wegmoffelen van oorlogserfgoed door middel van restauratie en museale presentatie zorgt immers voor een eenzijdig beeld, waarbij voorbijgegaan wordt aan de zeer bepalende twintigste-eeuwse laag van het kasteel.

Deze ontwikkeling komt overeen met de huidige tendens waarin steeds meer aandacht komt voor de Tweede Wereldoorlog. Nu de groep van oorlogsgetroffenen en ooggetuigen steeds kleiner wordt, staat niets meer in de weg om de oorlog in al zijn facetten te herdenken. Na een periode van herdenken van voornamelijk de helden van onderdrukking en verzet, sinds de jaren zestig met meer nadruk op allerlei verschillende ‘soorten’ slachtoffers, lijkt nu de tijd aangebroken om het verhaal van de oorlog ook vanuit de daders te beschouwen.[9] Niet alleen in de geschiedenis van kastelen, maar in de hele nationale geschiedenis van Nederland is de Tweede Wereldoorlog een sleutelmoment geworden.

Het is daarom wenselijk dat er in de toekomst meer onderzoek wordt gedaan op dit gebied en dat de Tweede Wereldoorlog tot de vaste presentatie van meer Nederlandse kastelen en buitenplaatsen zal gaan behoren, zodat deze kennis niet alleen onder kastelenkenners blijft, maar ook voor het publiek niet meer achter het behang verborgen blijft.


[1] Voor de recent toegenomen interesse in de Tweede Wereldoorlog, zie: F.van Vree & R. van der Laarse [red]. De dynamiek van de herinnering. Nederland en de Tweede Wereldoorlog in een internationale context. Amsterdam 2009. En: M. de Keijzer & M. Plomp [red]. Een open zenuw. Hoe wij ons de Tweede Wereldoorlog herinneren. Amsterdam 2010.
[2] H. Boers, Y. Molenaar & G. van der Stroom. Het Muiderslot. Fameux ende in ’t ooghe leggende. Zwolle 2004. 62.
[3] Aantallen gebaseerd op het overzicht ‘Kastelen tijdens de Tweede Wereldoorlog’, afkomstig uit: Froukje van der Meulen. Kastelen in Oorlogstijd. De omgang met de Tweede Wereldoorlog in de presentatie van Nederlandse kastelen, buitenplaatsen en landhuizen. Universiteit van Amsterdam 2010.
[4] M. Hardenberg. Het oude Benoordenhout. Geschiedenis van Clingedael en de omgeving van het park. Den Haag 1974. 60-61.
[5] F.R. Hazenberg e.a., Wassenaar in de Tweede Wereldoorlog. Wassenaar 1995.
[6] J.S.H. Gieskes. ‘Geschiedenis van Clingendael in kort bestek’. Cascade, Bulletin voor tuinhistorie. 18e jaargang (2009), nr. 1.
[7] Gemeente Den Haag, Dienst Stadsbeheer. Welkom op de landgoederen Clingendael en Oosterbeek. Van historie naar toekomst. Den Haag 2004.
[8] www.clingendael.nl/about/history.html. Bekeken op 23-06-2010.
[9] R. van der Laarse. ‘Kunst, kampen en landschappen. De blinde vlek van het dadererfgoed.’ Frank van Vree & Rob van der Laarse [red]. De dynamiek van de herinnering. Nederland en de Tweede Wereldoorlog in een internationale context. Amsterdam 2009. 191.